Kairos Perpetuo

Ik doe mijn jas aan en loop naar buiten,
heb een rotdag en dat heeft een reden.
Uren zwerf ik door het park,
de doelloosheid wordt door de regen diep in mijn ziel gewreven.
Verderop nadert een figuur, hij maakt een eenzame indruk.
Als we vlak bij elkaar zijn blijven we staan,
we raken aan de praat, hij heeft een vreemd accent,
zonder er bij na te denken vraag ik naar zijn naam.

Hoe ik heet, ‘k zou het echt niet weten,
niemand heeft me dat ooit verteld,
’t is nooit gezegd of ik ben ’t weer vergeten.
Jij mag me noemen precies zoals je wilt.


We lopen samen wat verder door de plassen.
Ik weet me geen raad met deze man:
is het een vluchteling, een zonderling, een eenling,
is hij vroeg-dement of houdt hij me voor de gek?
Ík ga toch niet zijn naam bedenken,
ik ken hem niet eens!
Vertrouwen doe ik het niet helemaal,
ik zeg: “het is toch raar als ík je naam moet noemen”

Hoe jij me noemt, het is me om het even.
Ik weet toch ook niet wie of wat jij bent.
Maar jij zou mij er een groot cadeau mee geven:
met een naam weet ik dat ik word gekend.

Mij bekruipt het gevoel hier geen weerwoord op te hebben.
De regen is inmiddels gestopt.
Ik weet niet meer wat ik er mee aan moet
en al helemaal niet waarom ik daar met hem loop.
Plotseling blijft hij staan,
kijkt me met grote ogen aan en zoekt naar woorden.
Zijn stille blik voelt plotseling vreemd vertrouwd.
Ik loop vast verder en achter me hoor ik hem zingen:

Waarheen je gaat, je zal het echt niet weten.
Niemand heeft jou dat ooit gezegd,
’t is nooit verteld of je bent het weer vergeten
en daarom kom je altijd hier terecht.


Verbluft blijf ik staan
en terwijl mijn leven geen richting meer leek te hebben,
weet ik precies wat ik moet doen:
de tranen lopen over mijn wangen en schokkend noem ik zijn naam.
Er klinkt een echo en alles wordt stil,
zelfs de wind waait niet meer.
Langzaam draai ik me om,
niets beweegt, behalve een vlinder in het zonlicht.